Op 1 november 2018 is de nieuwe wet op de politie van de spoorwegen in werking getreden.

De wet van 28 april 2017 erkent een reeks gedragingen als strafrechtelijke inbreuken. Het gaat om onrechtmatig gedrag in de trein, de stations en in de spoorweginstallaties in het algemeen.

Deze wetgeving (die de vroegere wet op de politie van de spoorwegen vervangt) maakt het voortaan mogelijk om verschillende inbreuken te vervolgen via een administratieve procedure die kan leiden tot een administratieve boete. Dit maakt het mogelijk om deze inbreuken veel sneller en doeltreffender te vervolgen om straffeloosheid te bestrijden en het gerecht te ontlasten, zonder daarbij het recht op verdediging uit het oog te verliezen.

Deze nieuwe wet is geïnspireerd op de wetgeving rond de gemeentelijke administratieve sancties, maar ook op de wetgeving van de openbare regionale vervoermaatschappijen:  MIVB/TEC/De Lijn.

De inbreuken waar het in deze wetgeving om gaat kunnen onderverdeeld worden op basis van hun thema of naargelang de mogelijke vervolging.

Onderscheid volgens het thema:

1) Inbreuken met betrekking tot het vervoersbewijs.

2) Inbreuken rond overlast die veroorzaakt werd in de spoorweginstallaties.

3) Inbreuken die de spoorwegveiligheid aantasten.

Onderscheid naargelang het soort vervolging:

1) Strafrechtelijk: in principe zijn alle inbreuken die bedoeld worden in deze wetgeving strafrechtelijk vervolgbaar. Om het beheer doeltreffender te maken, is de wetgever echter grotendeels van dit principe afgeweken en heeft hij de voorkeur gegeven aan een aangepaste vervolging voor iedere inbreuk (type gedepenaliseerd/gemengd).

2) Gedepenaliseerde inbreuk: ongeveer de helft van de inbreuken waarop deze wetgeving betrekking heeft, werden eenvoudigweg ‘gedepenaliseerd’. In plaats van ze strafrechtelijk te vervolgen oordeelde de wetgever met andere woorden dat het efficiënter zou zijn om ze te regelen via een administratieve procedure (die kan leiden tot een administratieve boete).

Bijvoorbeeld:

  •  de inbreuken met betrekking tot vervoerbewijzen (uitzondering: indien deze inbreuk voor de 10e keer wordt begaan binnen een jaar, wordt het dossier strafrechtelijk vervolgd),
  • ‘kleine’ gevallen van overlast (met de fiets rijden in de spoorweginstallaties, roken in de trein enz.).

3) ‘Gemengd’: de andere helft van de inbreuken die bedoeld worden in deze wetgeving worden beschouwd als ‘gemengde’ inbreuken. Dat betekent dat deze inbreuken beschouwd worden als ernstig en dat er mogelijk strafrechtelijke vervolging nodig is. Het parket heeft hiervoor, binnen een bij wet bepaalde termijn, de vrijheid om de inbreuk al dan niet te vervolgen voor de strafrechter. Als het dit doet, zijn de sancties deze die voorzien zijn door het strafrecht. Als het parket zich daarentegen niet uitspreekt binnen de termijn of het NMBS laat weten dat een administratieve procedure aangewezen lijkt, zal het dossier geregeld worden in het kader van een administratieve procedure, alsof het gaat om een ‘gedepenaliseerde inbreuk’.

Bijvoorbeeld:

  • ernstige gevallen van ‘overlast’ (graffiti, gewelddadig gedrag enz.)
  • veiligheidsinbreuken (misbruik maken van de noodrem, de deuren van de trein forceren enz.).

Afhankelijk van het soort inbreuk (zie ‘Om welke soorten inbreuken gaat het’) is er een strafrechtelijke of administratieve vervolging.

Verder is er, opnieuw afhankelijk van het soort inbreuk die begaan werd en als het gaat om een inbreuk met betrekking tot het vervoerbewijs, in eerste instantie de mogelijkheid om de inbreuk te regelen via een minnelijke procedure die in detail beschreven wordt in de bijlage bij de algemene vervoersvoorwaarden.

Als het dossier strafrechtelijk vervolgd kan worden, stelt de betrokkene zich bloot aan een gevangenisstraf van acht dagen tot vijf jaar en/of een strafrechtelijke boete van minstens 26 euro (verhoogd met de opcentiemen – m.a.w. op dit ogenblik vermenigvuldigd met 8).

Als de inbreuk vervolgd wordt in het kader van een administratieve boete, stelt de betrokkene zich bloot aan een administratieve boete waarvan het bedrag kan variëren naargelang de categorie van de inbreuk en  naargelang om het om een eerste inbreuk of om een geval van recidive gaat

  • Categorie 1 - bijvoorbeeld: roken of met de fiets rijden in het station
1e inbreuk 2e inbreuk (binnen het jaar) 3e inbreuk en volgende (binnen het jaar)
€50 €75  €150
  • Categorie 2 - bijvoorbeeld: graffiti of nog op de trein stappen terwijl de deuren sluiten
1e inbreuk 2e inbreuk (binnen het jaar) 3e inbreuk en volgende (binnen het jaar)
€100 €250 €350
  • Categorie 3 - Inbreuken met betrekking tot het vervoersbewijs
1e inbreuk 2e inbreuk en volgende (binnen het jaar)
€250 €500
  • Categorie 4 - bijvoorbeeld gewelddadig gedrag of het treinverkeer verstoren
1e inbreuk 2e inbreuk en volgende (binnen het jaar)
€300 €500


Uitzondering
: als de administratieve boete uitgesproken wordt ten laste van een minderjarige die op het ogenblik van de inbreuk tussen de 14 en de 18 jaar was, mag de administratieve boete niet meer dan 175 euro bedragen.

De administratieve procedure start met de verzending van een aangetekende brief waarmee de betrokkene ervan op de hoogte wordt gesteld dat hij een inbreuk heeft begaan op de wet op de spoorwegpolitie en een administratieve boete riskeert. Hij ontvangt eveneens een kopie van de vaststelling of van het proces-verbaal van de inbreuk en wordt uitgenodigd om zijn verweermiddelen mee te delen binnen de dertig dagen.

Als de betrokkene tussen de 14 en 18 jaar was op het ogenblik van de inbreuk of meerderjarig is en een inbreuk heeft begaan die strafbaar is met een boete van categorie 4 (zie ‘Welke vervolging is mogelijk en wat zijn de bedragen van de boetes in geval van een administratieve procedure?’ ), kan hij bovendien vragen om gehoord te worden.

Pas na kennis te hebben genomen van de verweermiddelen van de betrokkene of hem desgevallend gehoord te hebben, kan de sanctionerende beambte beslissen om de bij wet voorziene administratieve boete al dan niet op te leggen. Hij mag de bedragen niet aanpassen.

De beslissing van de bestraffende beambte wordt per aangetekende brief meegedeeld aan de betrokkene.

Ja. Iedereen die een administratieve boete krijgt opgelegd kan in beroep gaan binnen een periode van een maand na de kennisgeving van de beslissing.

Dit beroep kan worden ingediend via een verzoekschrift bij de bevoegde politierechtbank (voor meerderjarigen) of voor de bevoegde jeugdrechtbank (voor minderjarigen).

Zodra de termijn waarbinnen in beroep kan worden gegaan verstreken is (zie ‘Bestaat er een mogelijkheid om in beroep te gaan tegen een beslissing om een administratieve boete op te leggen? ‘), wordt de beslissing om een administratieve boete op te leggen uitvoerbaar. Ze kan met andere woorden worden overgemaakt aan een gerechtsdeurwaarder voor gedwongen invordering.